
Verbeter de wereld, begin bij een ander

Om een stukje te schrijven moet je eigenlijk ergens wat van vinden. Maar ik vind al de hele week nergens wat van. Misschien komt het door het griepvirus H1N1 en heeft dat iets in mijn harde hoofd uitgewist. Maar daar vind ik dan ook weer niks van.
Mevrouw de P. vroeg vanmiddag nog wat ik vond van dat stuk over Van Rompuy in de Volkskrant. Ik zei: ‘Niks.’ 'En die handsbal van Thierry Henry dan?' Nee, ook niks. Ik vind niks, al een week niet, zelfs geen dubbeltje, nog geen oude kroonkurk.
Later op de dag leek er in mijn toestand een lichte kentering te komen, toen ik op de autoradio een Ster-tekst hoorde. Die begon zo: ‘Binnenkort krijgt u een brief in de bus die veel vragen bij u zal oproepen…’ Daar heb ik toch wel heel even iets van gevonden, van die tekst:
SCHRIJF DAN GODVERDOMME EEN BETERE BRIEF!
Dus misschien komt het toch wel weer goed…

Kijk, dit hebben wij vanavond gegeten: gebakken bloedworst met appel. Mw. de P. kun je er voor wakker maken, maar ik moet er elke keer toch weer aan wennen. Dat komt zo.
Op het internaat van de bisschoppelijke kweekschool Saint Jean Baptiste de la Salle – onderdeel van de roomse onderwijsfabriek Saint Louis in Oudenbosch – kregen wij geïnterneerden dat af en toe voorgeschoteld. Meestal op dinsdag, want er heerste niet alleen tucht (handjes boven de dekens), zoals u begrijpt, maar ook orde en regelmaat.
Op dinsdagavond moesten wij in het eerste leerjaar ook een zwemdiploma halen; ze vonden dat dat opvoedkundig gezien erbij hoorde, terwijl ik bij wijze van spreken als Zeeuw eerder kon zwemmen dan lopen, want dat had ik mezelf bij ‘het Luitje’ in Zierikzee geleerd.
Op die dinsdagavonden gingen we dan met de bus naar het Sportfondsenbad (spatbordenfonds, hahaha) in Breda om daar ‘te leren zwemmen’. Ook op die dinsdagavond dat ik de bloedworst met appel had opgegeten van iedereen aan tafel die dat niet lustte. En dat waren er nogal wat.
Op de heenweg naar het spatbordenfonds ging het nog wel goed, niet meer dan wat winderigheid en af en toe een lichtzure boer.
Afgelopen zondag zag ik kleinzoon Gijs (tien maanden) voor het eerst over de vloer tijgeren. Precies zoals ik mezelf als kleuter had leren zwemmen: half op zijn rechterzij liggend, hoofd omhoog, zijn rechterbeen strekkend qua afzet, het linkerbeen bijhalend en dan de rechterhand uitstrekkend naar voren en met de linkerhand een beetje bijkrabbelend. Het is een soort crawl, maar dan voor één been en één arm, en de rest hangt er een beetje bij: een heel erg vrije slag, maar als je geen Olympische ambities hebt redelijk effectief.
Maar daar haalde ik dus geen zwemdiploma mee. En of ik nu de school- of de rugslag moest doen, steeds verviel ik in het gecrawl dat Gijs en ik – in onze genen, dat is wel duidelijk – gemeen hebben.
Maar op die ene dinsdagavond werd ik in de bus terug naar het internaat hondsmisselijk en heb ik daarna een hele wasbak vol gekotst met half verteerde bloedworst, en zie dan maar eens die stukjes spek die erin zitten, met de achterkant van je tandenborstel door het afvoerroostertje te wurmen om de schande uit te wissen. Pas bij de derde examenpoging haalde ik mijn a-diploma, na vele busreizen naar het spatbordenfonds.
Decennialang geen bloedworst met appel meer gegeten, alleen de lucht al, maar sinds een tijdje lukt het wel weer omdat mw. de P. het zo lekker vindt, al zie ik – elke keer opnieuw – die wastafel vol kots weer voor me, en die tandenborstel en die spekjes.
Alle leed is voor niets geweest, ik zwem nog steeds zoals Gijs tijgert…

Nee, wij hadden niet zo’n zure druif in een stofjas over de vloer die mevrouw de P. eens bestraffend en met die meewarig uitgezakte Sint Bernhard-ogen ging toespreken: ‘Tja mevrouw, dat komt ervan als u geen Flupperdeflop gebruikt. ‘
Nee, het was meer een goedaardige conciërge die in twintig minuten onze Siemens SIWAMAT XB 1260 van een nieuw element voorzag. Mevrouw de P. helemaal in haar wasnopjes, want dat is een van haar hobby’s, wasjes draaien, met warm water. (€ 103,25, maar dan heb je ook wat. Wat er dit jaar hier al niet kapot gegaan is…)
Mevrouw de P. zei tegen de goede man dat ze er steeds meer zeep bij ging gooien, omdat de boel maar niet schoon wilde worden. Maar dat is helemaal fout, zei hij. ‘Dan gaat alles aan elkaar plakken en het is juist de bedoeling dat het wasgoed geslagen wordt door de nokken in de trommel, zoals de vrouwen vroeger aan de kant van de rivier hun wasgoed op het muurtje sloegen .'
Oh, dat is dus de moderne wastechnologie… die van mijn betovergrootmoeder!
Mevrouw de P. de Eerste deed twintig jaar met haar Constructa Prima, net zolang als onze echtverbintenis. Mevrouw de P. de Tweede en ik zijn al aan onze tweede wasmachine, al was die eerste een afdankertje. En nu had die nieuwste (7 jaar) al kuren…
Volgend jaar 10 juli zijn we samen zestig jaar getrouwd, ik veertig en zij twintig. Gaat u alvast eens wat geld inzamelen voor een cadeau, een wasmachine of zo.

Ik wist al wel van het bestaan van het ‘Isabelkleurig Breeksteeltje', maar dat er ook een ‘Dakloze Huiszwam’ bestaat, bevestigt mijn opvatting dat onzelieveheer ook in de wereld der mycologie rare kostgangers heeft.
De P. is zich nolens volens aan het verdiepen in de wereld van de paddenstoelen, wegens zijn bijzondere mycologische vondst, een beetje buiten Zierikzee. Zelfs dir. Beestjes, u allen bekend, weet niet hoe het afgebeelde exemplaar heet. ‘Zo groot kan helemaal niet,’ wist hij uit zijn paddenstoelenboek te melden.
De hoed van deze paddenstoel (zeg maar gerust driezitsbank) heeft een diameter van 41 centimeter, en je kunt heel www.soortenbank.nl af zoeken, hij staat er niet bij. Inmiddels is mijn vraag doorgestuurd naar paddenstoelenprofessoren aan de universiteiten van Leiden en Leuven, maar nog geen sjoege.
Ted Sluijter, kom er maar in!

Uit de diepten roep ik tot u: wie weet er een goede volautomatische dvd-recorder, waartegen je bij wijze van spreken alleen maar hoeft te zeggen: ‘Vanavond de film op BBC 2 en volgende week woensdagmiddag die documentaire over je weet wel, met die… hoe heet hij ook alweer?’
Knopjes moeten indrukken mag ook, als het er maar niet meer zijn dan twee, en dat zo’n ding dan niet een kwartier voordat de film of wat dan ook is afgelopen stopt met opnemen, omdat de reclameblokken zijn uitgelopen.
Je zit op het puntje van je stoel film te kijken: krijgen ze mekaar, krijgen ze mekaar niet (of: wint de indiaan of wint de cowboy?), mevrouw de P. zit al met een doorweekt zakdoekje in haar knuisten, et voilà: een zwart scherm, vervolgens de weervrouw op België 2: ‘Lichte tot matige koelte boven de Ardennen…’
Wat u trouwens nooit moet doen, is zomaar een stapeltje papier op uw toetsenbord leggen. Daar kan het beeld op je scherm ineens 90 graden van kantelen, zodat je de rest van de middag met een scheve kop (twee dagen een stijve nek!) voor je pc hangt omdat je een deadline moet halen en niet weet hoe je de zaak weer recht kunt zetten. Ik weet na veel gezweet inmiddels hoe dat moet, maar graag eerst merk en type van die dvd-recorder!

Tja, een plaatje van vorige week. Maar kijkt u nog eens goed waarmee de kleine Cécile (4) in het pannenkoekenbeslag staat te harken: de Philips-mixer van wijlen haar dode en reeds lang geleden overleden overgrootmoeder. Dat is nu eens een topvoorbeeld van recycling: niet tot pulp vermalen en er dan tuinkabouters van maken of lichtgevende bermpaaltjes, nee, gewoon doorgeven van generatie op generatie, net zolang tot dat het ding het niet meer doet. En daar kun je bij die Philips-mixer uit de jaren zestig verrekte lang op wachten. Duurzaam ‘produkt’, sinds 2005 door een zich vervelende en in Brusselse restaurants vergaderende Nederlands-Vlaamse Taalcommissie weer gespelregeld als ‘product’. (In 2015 wordt het weer ‘produkt’, wat ik u brom! Dan komt ook ‘pannekoeken’ terug…)
Maar nu over die Philips-mixer, de merkplaatjes zijn er helaas vanaf gevallen. Het apparaat was in 1967 het huwelijkscadeau aan mevrouw de P. de Eerste van de BLO-school te Zierikzee, waar ik dat jaar als 'volledig bevoegd' schoolmeester begonnen was te werken; ikzelf kreeg een metalen gereedschapskist (helaas geen kist metalen gereedschap). Those were the days…
Het is ermee begonnen dat we begin jaren zeventig alle roestvrij stalen cadeaus van ons huwelijksverlanglijstje (potten, schalen, pannen, pollepels, schuimspanen, botervloten, eierdopjes) weggaven aan mijn moeder, en we op rommelmarkten – vooral op de Blaak in Rotterdam – ons blind kochten aan ‘nostalgisch’ lichtbeschadigd emaillewerk, want dat zag er in de keuken zo gezellig en ouderwets uit.
In de jaren tachtig was het allemaal wéér anders. Die oude geëmailleerde troep ging naar de semi-Marokkaans-Turkse rommelmarkt van de school (we woonden toen in Gouda) en qua onze eigen potten en pannen gingen we niet voor minder dan Bijenkorf-kwaliteit en het liefst Le Creuset. De Magimix was opeens je van het, en de Philips-mixer ging als afdankertje naar mijn moeder.
Ze is nu twintig jaar dood, mijn moeder, maar die mixer uit 1967 is sindsdien weer bij mij en aan zijn vierde generatie gebruikers toe. Ik maak er chocoladecakes mee voor mevrouw de P. de Tweede, en kleindochter Cécile pannenkoekenbeslag.
(Er zat ooit een soort ophangding bij voor aan de keukenmuur, met een apart vakje voor de hulpstukken. Maar dat is weg.)

Het ging bij Pauw & Witteman maandagavond even over de betekenis van ‘verduurzamen’. Het woord kwam uit de mond van een Club van Rome-mevrouw, een hartstochtelijk ondernemend duurzaamheidstype, ‘eindelijk eens goed gekleed’.
Verduurzamen. Laten we zeggen: verduurzamen van hout. Dat was vroeger je nieuwe schuttinkje insmeren met echte carbolineum of creosoot, en je had er de eerstkomende vijftien jaar geen omkijken meer naar. Sadolins kon ook, in zeven kleuren naar keuze, die na verloop van tijd wel een beetje werden overschaduwd door een blauwachtig waas van gehydrateerd kopersulfaat (CuSO4•H2O), maar je grenenhouten tuinhekje kon er wel honderd mee worden. Stond ook op het blik: ‘Voor het verduurzamen van hout.’ Thans verboden, want slecht.
Wat dacht u van die prachtige zwarte Zeeuwse schuren die de eeuwen en zelfs de Ramp van ’53 hebben overleefd: teer! Daar zit een centimeter teer op om de boel te ‘verduurzamen’. Mag niet meer. Niks mag meer: carbolineum is een soort slappe koffie geworden, gecreosoteerde tuinpalen met eeuwigheidswaarde zijn nergens meer te krijgen, en Sadolins, wie weet nog van het bestaan ervan? Het ‘verduurzamen’ van toen mag niet meer, want dat is slecht.
Het nieuwe ‘verduurzamen’ – laten we zeggen: verduurzamen van hout – is tegenwoordig het aanschaffen (of eigenlijk liever niet aanschaffen) van hout, dat je ter verduurzaming mag insmeren met liters zogenaamd ‘duurzaam geproduceerde’ waterverf, wat je elke twee jaar dient te herhalen. Zo niet, dan moet je weer om nieuw hout, spijkers en schroeven. En weer om liters van die o zo 'duurzame' waterverf.
Wijlen mijn dode en reeds lag geleden overleden moeder naaide zelf windjacks voor mij, voor op de fiets naar school (15 km heen, 15 km terug door de kale polders), en verduurzaamde die tegen stortregens met Harmisol. Zal ook wel niet meer mogen. Is ook slecht.
Enfin, ik sla in het Nederlands Etymologisch Woordenboek van Jan de Vries, Leiden 1997, vierde druk, (This book is printed on acid-free paper) het lemma ‘slecht’ op en vind als verklaringen uit het oude Middel- en Noord-Nederlands onder meer: geordend, gereed, zachtmoedig, vriendelijk, oprecht.
De etymologie van ‘verduurzamen’ zal ooit nog eens worden geboekstaafd als: Nieuw Middel-, Noord- en Zuid-Nederlands voor ‘duurder maken’, 'zwijnerij'.

Zondagmiddag, twee kleinkinderen over de vloer. Mevrouw de P. druk met een klus, de Nachwuchs zeer druk met elkaar, en geen strandweer. De P. googelt ‘attracties kinderen zeeland’. En waar komt hij terecht? Bij Speelcircus Bambini te Vlissingen, in een afgedankt zwembad zonder water. Het drooggelegde diepe voor de jong-gevorderden, het lege pierenbadje voor de kleintjes. Met daaromheen allemaal terrasjes met gezellig keuvelende ouders, opa’s en oma’s, kopjes koffie, biertje, ijsjes voor de kinders. Dat is nog eens kinderopvang! (Inkom €6,50 per kind en slechts €2,50 voor opa!) Die twee van mij horen bij de jong-gevorderden.
In het ‘diepe’ is alles gecapitonneerd, je kunt er schadevrij je kop stoten tegen een paal en ook vallen, maar nergens dieper dan veertig centimeter, en dan land je nog op een soort kussen; alles is kruip door-sluip door, en de glijbanen, twee meter, zes meter, twaalf meter, monden uit in een ballenbak of op een matrasachtige substantie. Je kunt je zelfs door een soort spiraalbuis van boven naar beneden laten storten zonder je te bezeren, en ze doen het.
Ze gaan er een uur achter elkaar tekeer. Dan kruipen ze stomend naar boven: ‘Opa, mogen we een ijsje?’ Ze bestellen een ‘schatkistje’, en opa neemt een spa rood. Wouter (6) is het eerst klaar en vraagt of hij weer mag gaan spelen. En weg is hij. Cécile (4) zegt even later: ‘Opa, ik ga ook weer spelen.’
Vanaf dat moment is ze spoorloos. Niet in het droge diepe, niet in het droge ondiepe, waar het luierdragende segment rondkruipt. Ik loop drie, vier keer het complex rond, schreeuw naar Wouter of hij Cécile heeft gezien. Nee, en hij stort zich weer blijmoedig van een bijna loodrechte glijbaan af.
De restauranthoudster roept twee keer luid en duidelijk om of ene Cécile zich wil komen melden. Geen sjoege. Er is nu bijna een halfuur om en ik krijg heldere visioenen, half open vuilniszakken in sloten, namen van ontvoerde meisjes die dood zijn teruggevonden, mijn speekselklieren houden ermee op, al die andere in hun eentje zittende opa’s – het is bijna Hitchcock – grijnzen mij aan vanaf het terras. Ze weten er meer van, dat is zo goed als zeker…
Ik bel mevrouw de P. Ik zadel haar dan wel op met mijn blinde paniek, maar wat moet ik anders? For better and for worse was de afspraak: kleinkind ontvoerd.
Ik vraag de dame van het restaurant: ‘Als ze hier niet is, daar niet en daar ook niet, waar kan ze dan zijn?’
Flegmatiek: ‘Wat heeft ze aan?’
‘Een blauw fleece-jasje met Gaastra op de rug en een spijkerbroekje.’
‘Hebt u al in het computerhoekje gekeken?’
‘Computerhoekje?’
‘Loopt u maar even mee…’
Daar zat mevrouw ‘Gaastra’, ergens in het halfdonker op een touch screen te hameren…
Van het een val je in het ander. Ben je net, hier en daar nog wat niezerig snot rond blazend, opgestaan uit de dood, net genoeg bakjes kunnen vinden om het nog eens opgekookte begrafenismaal in handzame proporties in te vriezen voor de volgende keer, heeft je kat een trauma.
Dirk wil een andere naam, en wil ook niet meer op de bank liggen. Hij zette vanavond zijn nagels in onze schapenlederen poef (Dirk heeft qua dynamisch-motorisch spellen moeite met de e) en eist garantie op zijn achtergestelde 'depoesito'.
Wat onszelf betreft, wij hebben alles belegd op Jan Mayen; dat ligt zo ver weg, daar kan gelukkig niemand bij.
Ja hoor, de griep. Welke griep, Joost mag het weten. Geen paspoort op het nachtkastje. Bij het boodschappen doen zaterdag viel ik bij de kassa bijna om, maar bij de haringkraam in Bruinisse hield ik ferm stand. Zondag tot vijf uur in de middag geslapen en daarna het cryptogram van de Volkskrant zo goed als opgelost. En dat van de NRC ook. Met een wattig hoofd gaat dat het best.
En nu: heremejezus, was ik maar nooit geboren. Het spierstelsel verstroeft. Ik struikel over mijn eigen botten. De koortsthermometer is kapot, maar de stoom slaat uit mijn oren.
Ik zie driedubbel en ga naar bed…
Tussendoor toch nog even vijf liter tomatensoep gekookt, met tomaten uit eigen tuin, en balletjes, soepvlees en vermicelli. Voor de nabestaanden, na de begrafenis. Sterven is vooruitzien.
Mexico, Mexicoooho…
Leuk dat ik u heb gekend.

Het is een typisch Douwe Draaisma-gevalletje. Ineens sta je in een streekmuseum oog in oog met een twintigliterblik Carlo. En dan is het toevallig ook nog eens woensdagmiddag.
Als u een bakkerskind en rond de zestig bent, zult u dat blik herkennen en ook weten wat ik met die woensdagmiddag bedoel.
Dan hadden de kinderen van de bakker (en alle andere kinderen) vrij van school en dan was het blikken smeren geblazen. Mijn vader was geen bakker, maar de vader van mijn beste vriendje Co de L. wel. Woensdagmiddag bij Co gaan ‘spelen’ was synoniem aan blikken smeren, u weet wel, die zwarte blikken waarin het brood werd gebakken. (Teflon lag nog op de tekentafel. )
In mijn herinnering waren het honderden en nog eens honderden broodblikken, stapels tot aan het dak van de bakkerij. Maar in Zierikzee waren toen op een inwonertal van 7500 mensen meer dan vijftien bakkers. Zeg gemiddeld drie, vier personen per voordeur – men plantte zich toen nog (on)bekommerd voort – 2500 adressen, gedeeld door vijftien bakkers… Maar mijn geheugen gaat er mee aan de haal, zoals dat van een vergeetachtige zwarthandelaar die volhoudt dat hij in de jaren 40-45 in het verzet zat.
Carlo was een emulsie, en in emulgatoren was de Carlo-fabriek (Zeelandia) gespecialiseerd. Hoeveel kraanwater kunnen we aan vet toevoegen, zonder dat iemand het merkt. In vrijwel al uw brood zitten ook nu nog emulsies van Zeelandia die worden verkocht als ‘broodverbeteraars’. Tot in de verste uithoeken van de wereld…
Carlo – waarom dat spul zo heette mag Joost weten – rook een beetje naar bijna bedorven slaolie, ik weet dat nog goed, want ik heb een enorm geheugen voor geuren. En wij maar kwasten in die blikken (‘Goed in de hoeken en de naden doen, jongens!) Hoeveel blikken zullen het geweest zijn, honderd hooguit ? En dan met z’n tweeën smeren? Anderhalf uur?
Maar ja, staat er ineens in zo’n museum een twintigliterblik Carlo voor je neus, dan valt die in de loop der jaren eindeloos aangegroeide massa broodblikken als een lawine over de basale ganglia van je geheugenkwabben.
Lieve Agnes, doe dat nou niet! Ga niet het OV versjteren omdat je je zin niet krijgt. Politieke stakingen, daar zijn we sinds 1903 toch niet meer van bij de vakbeweging? En jij toch helemaal niet?
Kijk nou eens naar jezelf. Na je loopbaan bij de FNV word je burgemeester van Tilburg (na Stekelenburg en Vreeman!) of kom je in de Raad van State terecht of in een of ander Hoog College van Staat en daar blijf je ook tot je zeventigste zitten.
Ik ben 64, jong van hart en geest (ik loop de honderd meter sprint nog binnen de minuut), en ik werk free lance als boekredacteur/corrector/persklaarmaker/tekstschrijver/orthopedagoog en ik heb daar reuze lol in, en ik ga ermee door totdat ik erbij omval.
Jezelf encanailleren met de SP en – godbetert – Geert Wilders... Agnes, lieve, lieve Agnes, doe het niet! Het zijn monomane, visieloze losers, zowel die gutturale schreeuwspreeuw Kant als dat goudgele stierkalf uit Venlo. Laat je er niet mee in!
Heb het er eens over met Ger, in de deemstering van een zwoele herfstavond, of knus onder de klamme lappen…
Liefs en groet,
Peter
![]()
Nu we er toch over mogen ‘meedenken’, over de bezuinigingen van doctorandus W. Bos, weet ik er nog wel een paar. Eerst maar een kleintje. Vandaag kreeg ik een ‘schrijven’ thuis van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (gesubsidieerd werkgelegenheidsproject in de voormalige veenkoloniën) dat ik mijn auto voor 1 november naar de APK moet brengen. Alsof ik dat met mijn tien jaar oude Berlingo – in prima staat – zelf niet weet.
Er waren op 1 januari van dit jaar 7.542.331 auto’s in Nederland en die krijgen dus ook zo’n brief van Bas Verboom. Zeg dat zo’n briefje plus envelop, porto en handling per stuk €1,35 kost; dat is dan bij elkaar €10.182.146. Ontsla je het ambtenarenzooitje dat dat heeft bedacht, kun je er nog een miljoen of 5 bij optellen. En de rekening van het communicatiebureau dat het heeft ‘geadviseerd’ – twee ton op zijn minst – ook.
De JSF, 5,7 miljard. Skippen, inclusief die Jack de Vries, salaris plus kosten, 3 ton. Parkeerwachter van maken, zoals ze destijds met Dubček hebben gedaan.
De Tweede Kamer terugbrengen naar 50 m/v.
Omroepbestel afschaffen. Eén staatsomroep om de nieuwste wetgeving uit te blaten, voor mijn part de sharia, en verder alleen commerciële zenders. Dat moet algauw toch ook een miljard of wat opleveren.
Verder afschaffen: Maria van der Hoeven en heel haar ministerie, Tineke Huizinga en heel haar ministerie, Justitie en Biza samenvoegen en onder leiding van Geert Wilders brengen. Verkeer en Waterstaat en EZ samenbrengen onder leiding van Neelie Kroes.
Buza en AZ samenvoegen, Verhagen kan dat makkelijk alleen af. Balkenende gratis wegdoen aan Brussel.
Zeeuws-Vlaanderen verkopen aan de Belgen. Laat ze zelf die Westerschelde verdiepen, nondedju!
Het koningshuis verbieden en opdoeken en heel die middeleeuwse kliek verbannen naar Guernsey, dat we voortaan Tates-island gaan noemen.
Het Karstgebergte in China – Yangshuo – is ook een optie, zomer en winter skiën en de bouwvakkers en hun superieuren zijn er goedkoper en nog veel eenvoudiger te corrumperen dan in Machangulu op Mozambique. En als de kliek tegenstribbelt is er nog wel wat plaats over in de voormalige Glavnoje oepravlenieje ispravitelno-troedovych lagerej, sinds Solzhenitsyn beter bekend als de goelag, het Hoofddirectoraat voor heropvoedings- en werkkampen.
Enfin, wat ik maar wil zeggen: ik kom al aardig in de buurt van die 35 miljard, zonder dat u en ik er ook maar iets onder hoeven te lijden.
(Nout Wellink voor de rest van zijn leven op water en brood zetten levert maar weinig op helaas (ton of vier, vijf), maar dat is ook een serieuze optie. Alle beetjes helpen.)
Dit land is tot stilstand gekomen, en dan heb ik het niet over de files, die door de toenemende werkloosheid overigens langzaamaan korter worden, a blessing in disguise. Nee, het gaat over de mentaliteit waarmee we de wereld hebben veroverd, eeuwenlang cultureel vooropliepen, grote denkers voortbrachten en ons verweerden tegen de idioterie van de wapenwedloop, ook al werd die vooral aangestookt door de zeloten van de uitgestorven CPN en the Dutch disease genoemd. Dat is gedoofd, dat vuur.
Om maar een paar dingen te noemen. We zijn een land van mafkezen en hansworsten geworden, en voor zover we manieren hadden, zijn die door losgeslagen idioten met zendtijd als Paul de Leeuw en Jack Spijkerman en consorten belachelijk gemaakt. Alles moet kunnen, is de regel van de straat en de staat geworden. Elkaar schofferen is de norm.
Sla eens de gids op van de VPRO – ik ben er al 43 jaar lid van. Dat was destijds dé omroep die de wereld op de hak nam, doorlichtte en vragen stelde. Hans Keller met Het Gat van Nederland en Berichten uit de samenleving. En nu: geen onderscheidend programma meer te vinden. Ja, een belastinggeld verslindende reis, die de tocht van de Beagle nadoet.
De merchandise van de VPRO bestaat uit programma’s van de jaren tachtig en negentig – VAN DE VORIGE EEUW! Koot en Bie, Wim Kayzer, Arjan Ederveen, Theo en Thea en nog meer klassiekers waar je voor thuis bleef.
De Vara, ook niets meer van over. Hadimassa en Zo is het toevallig ook nog eens een keer, wie herinnert zich die uitzendingen nog? Waar zijn Achter het Nieuws en Haagse Kringen gebleven? Waarom geen In de Rooie Haan op de tv? Maatschappijkritiek, ze kunnen bij de Vara het woord dankzij het onderwijsbeleid van de PvdA niet eens meer spellen! Nog even en de vragen bij Twee voor Twaalf zijn van het niveau: ‘Waar zit de clitoris van Katja Schuurman?’
De inhoud is weg. Je ziet het overal terug, ook in de regering. Ik hoorde vanochtend op de radio zijne excellentie Bos beuzelen bij TROS Kamerbreed over de procedures van het crisisbeleid, vooral niet over de inhoud, en zich beklagen over de kritiek uit de Kamer. ‘Nu nemen we eens geen besluiten in een achterkamertje, en laten we de maatschappij mee debatteren over de moeilijk keuzes die gemaakt moeten worden, en nu is het weer niet goed of het deugt niet.’
Nee, het deugt inderdaad niet, grote klootzak. De regering moet regeren, goed onderbouwde plannen maken en die voorleggen aan de Kamer. Daar valt tegen in te brengen dat de Kamer ook maar een wassen neus is – hoezo dualisme? – met als grootste snotkegel Pieter van Geel (CDA). Je ziet aan elke syllabe die hij over zijn lippen weet te persen dat hij het niet meent, maar het moet zeggen, wil hij ooit nog eens een ministerspost of een burgemeestersschap krijgen toebedeeld. (Ze zitten daar allemaal voor zichzelf, niet voor ons.)
Over het meer dan schandalige optreden van Balkenende zullen we het maar niet hebben…
Ik wens u deze zondag een goede devotie.

Vlak bij ons dorp is een verraderlijke driesprong, waar de dijk naar links afbuigt (als je richting Zierikzee rijdt tenminste) en je door de bomen erlangs niet kunt zien of er tegenliggers komen aanstormen. Vrijwel iedereen naast wie ik in de auto zit, neemt daar de binnenbocht. Meestal sluit ik dan mijn ogen, maar laatst werd het me te veel en riep ik naar de P.: ‘Naar rechts, naar rechts!’ Tot mijn opluchting en verbijstering sloeg hij ogenblikkelijk rechts af.
Volgende week weer een muizenis of een beer op de weg

Daar werd het nou eens hoog tijd voor, de Nationale uitjestest. We hebben al een Nationale inburgeringstest, een Nationale IQ-test, een Nationale bijbeltest, een Nationale geheugentest, een Nationale EHBO-test, een Nationale klantgerichtheidstest, een Nationale hoortest, de Nationale goededoelentest en zo kan ik nog een scherm of twee, drie doorgaan.
Maar dan nu eindelijk, aangekondigd in het blad Spoor van de NS (de vierkante wielen komen er al weer aan), de Nationale uitjestest. Hoe zit dat? Zijn de uitjes in Station Roosendaal, gekend om zijn saucijzenbroodjes, beter dan die op de perrons in Velp, waar de koffie zo wordt aangeprezen? Of moeten we naar Assen-Centraal of Station Blaak in Rotterdam? Hoe staat het met de uitjes in station Doetinchem De Huet? Of rijden we nog een eindje door naar Winterswijk-West voor het opperste uitjesgenot? Als uitjesliefhebber ben je daar benieuwd naar.
Het AD doet jaarlijks de Nationale haringtest, maar worden de uitjes dan ook mee getest? Nee dus, ze worden over het betraande hoofd gezien? Waarom geen Nationale haring- én uitjestest? Dat gaat toch in één moeite door?
Uitjes, rauw, gebakken, licht gefruit met een vleugje kerrie, glazig gemaakt in een handje licht verhitte boter, dan de knoflook erop en dan de grijze garnalen? Hoe zit het? Pijpuitjes, bosuitjes, soepuitjes, lente-uitjes… Waar zijn de lekkerste te koop? Ik wil het weten, al moet ik ervoor naar Delfzijl-Centraal.
Komt u maar met de uitslag van die uitjestest! Of is die er soms nog niet, beste vrienden van Spoor? Nee, dus. Wel met veel poeha aankondigen in je blad. En dan verwijzen naar een website waar nog niks op staat van de uitjestest.
Het is om te huilen...

Het was familieweekeinde, voornamelijk van familie van mw. de P. Deze keer waren wij aan de beurt om dat te organiseren. Het is meestal kamperen in een zanderige uithoek van het vaderland, maar gelukkig heeft onze buurman een kampeerboerderij, waar heel het spul (m/v 18 stuks, een paar konden niet komen) de nachten heeft doorgebracht. Wij natuurlijk in ons eigen bedje.
Ik schep er dan behagen in voor zo’n hele kro (dat is Zeeuws voor grote club) de catering te verzorgen, en dat is me zeer goed gelukt, ook de lunch op zondagmorgen, toen de helft van mijn eigen procreatie plus vrouw en Nachwuchs ook kwam aanschuiven. Heerlijk vind ik dat, als iedereen zo tevreden zit te knagen.
Ik had eigenlijk toen ik jong was in de horeca moeten gaan, in plaats van me over te geven aan het volschrijven van de achterkant van advertenties.
Mijn dochtertje zei toen ze drie was: ‘Papa, als ik groot ben word ik restaurant.’ En nu is ze directeur F&B (Food & Beverages) van het ‘Radissonresort and hotel’ enzovoort op Aruba, nadat ze op dat eiland eerst een filiaal van de Amerikaanse vreetketen Texas de Brazil uit de grond heeft getrokken.
Ik denk dat ik het van haar heb, dat koken voor grote gezelschappen…

Ach ja, nu er heden ten dage toch nooit op een normale tijd wat aardigs op de tv meer is, behalve dan voor debielen en warhoofden, denk ik vaak aan een gesprek dat ik ooit had met wijlen mijn dode en reeds lang geleden overleden moeder over de inferieure kwaliteit van het volksvermaak op de buis, toen al. Ze was destijds een boek aan het lezen over de geschiedenis van het oude Rome, en zei: ‘Ze zouden daar in Hilversum af en toe eens live een handje christenen voor de leeuwen moeten gooien!’

Het is mij in 1988 eens gebeurd dat ik in de Pakistaanse havenstad Karachi, destijds vijf miljoen inwoners, een man ontmoette, met hem aan de praat raakte, een glaasje thee met hem dronk, en afscheid nam met de zekerheid dat we elkaar nooit meer zouden zien. Nog geen week later komen we elkaar in het andere uiteinde van die enorme stad weer tegen. Het is me in Amsterdam waar ik twintig jaar heb gewoond – amper driekwart miljoen mensen – slecht één keer gelukt in het stadsgedruis een bekende tegen te komen: drs. Arie Mollema, op de roltrappen bij de Bijenkorf.
Eind jaren negentig verschenen de eerste delen van de roman-cyclus Het Bureau van J.A. Voskuil – dat hij ruste onder de vleugels van de Onnoembare. In deel twee van Het Bureau duikt ene Sien de Nooijer op, dochter van een zich overijverig voortplantende, heftig gereformeerde postbode in een Zeeuws plattelandsdorp. Ze was werkzaam op Het Bureau, zo noemde Voskuil in zijn boeken het Meertensinstituut van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen in Amsterdam. Ik vermoedde al snel dat Sien de Nooijer stond voor Jozien van P. uit het dorp N., niet zo ver van Dreischor. En dat was ook zo.
Jozien was op onze middelbare school veruit het zedigste nufje van alle leerlingen – niks mee te beginnen – maar in die boekenreeks van Voskuil komt zij tevoorschijn in een zeer korte minirok, zodat je bij bijna elk harer bewegingen tegen haar kruis aan kon kijken, en ook draagt ze uitdagende make-up, en wel in die mate dat de hoofdpersoon in Het Bureau, Maarten de Koning, het alter ego van Voskuil zelf, zijn ogen niet van haar af kan houden, en zelfs droomt dat hij zich in den vleze met haar verenigt. Ik heb Jozien na de verschijning van die boeken nog weleens willen interviewen, maar ze keek wel uit.
In Gourdon (F) ben ik zomaar eens een ANP-fotograaf tegen het lijf gelopen die ik vaak trof op persconferenties in Den Haag. En in New York (1999) dacht ik eens op een caféterras, hoek 23th Street-Madison Park, tegenover het beroemde Flat Iron-building, oog in oog te staan met de acteur James Stewart, maar dat kon niet want die was toen al twee jaar dood.
Op de Vlasdagen – ik maak ze al twintig jaar mee – kom ik heel vaak mensen tegen die ik eeuwen niet heb gezien. Maar dit jaar geen een. Beetje mislukte Vlasdag, wat mij betreft…
Column in de dorpskrant van september 2009
(Elk dorp op ons eiland heeft in de zomer wel een braderie of zo. Bij ons op Dreischor - de Reister - heet hij Vlasdag.)

Ik maak meestal een voorraad pastasaus van doosjes passato en tomato fritti, en nog wat blikjes tomatenpuree, gepelde tomaten, rundergehakt en wat kruiderij, maar vandaag heb ik uit de tuin gekookt, van onze zelf gekweekte tomaten en met laurierblaadjes van onze eigen Lauris nobilis, waarvan we tot onze laatste ademtocht kunnen oogsten.
Vroeger deed je dat uit armoede, dat uit de tuin eten – ik heb wat rode kool, snijbonen, krootjes , peen en ui en tuinbonen moeten weg knagen, en heel de zomer sla en snijbiet, met luizen en al – maar nu is het een wonder, paradise regained.
Mevrouw de P. prees mijn pastasaus als de lekkerste ooit: ‘ Oh lieverd, wat geweldig lekker. Voor mijn part eten we dat de rest van de week elke dag!’
Jaren geleden had ik samen met een andere mevrouw de P. ook tomatenplanten in de tuin, en die tomaten werden ook prachtig rood. Maar als je ze plukte, bleken ze aan de achterkant totaal uitgehold te zijn door de rupsen. Want ja, we hadden toen veel vlinders in de tuin.
De mevrouw de P. met wie u nu zo vertrouwd bent, heeft al jaren haar zinnen gezet op een ‘vlinderboom’ om vlinders mee te lokken, want die zie je hier nog maar zelden. Maar omdat ik niet nog meer boomachtig groen in de tuin wil, lag ik altijd dwars.
Vandaag was in een lankmoedige bui, vooral toen bleek dat het om een vlinderstruik ging die maar twee meter hoog wordt. We zullen het wel zien of die vlinders komen.
En als dat zo is wordt het weer saus van bliktomaten, pakjes passato en ingepakte tomato fritti en andere doosjes en blikjes uit de fabriek. Of we eten elke dag makkelijk uit de voorraden van de Super U of de Auchan.
Eigen schuld, dikke bult.
Geachte heer Balkenende, beste Jan-Peter,
De Westerscheldekwestie kan eenvoudig en voorgoed worden opgelost. Wij Zeeuwen zetten geen land onder water, dat weet u ook, al hebt u de Ramp niet meegemaakt. Na de inundatie door de vijand in 1944 en zeker na de Ramp in 1953 hebben de Zeeuwen – ik ook – genoeg van overstromingen, en dan heb ik het alleen nog maar over de vorige eeuw.
Er is maar één oplossing, en dat is een groot kanaal graven van Terneuzen naar Antwerpen, samen met de Belgen. En wel subiet. Hoeveel werkgelegenheid levert dat in deze barre tijden niet op? Brussel betaalt vast mee. Kijkt u maar eens op het kaartje van het Westerscheldegebied dat in de NRC van zaterdag 29 augustus staat afgedrukt. Ik heb er een streep op getrokken. Wat is er nu logischer dan een vaargeul van Terneuzen naar Lillo?
In kanalen graven zijn wij en de zuiderburen erg goed. Het kanaal van Gent naar Sas van Gent is al gegraven op instigatie van Karel V, en in 1827 is het doorgetrokken naar Terneuzen en heeft nu een totale lengte van 50 kilometer.
Het Noord-Hollands kanaal heeft een lengte van 75 kilometer en is in 1824 voltooid.
Het Amsterdam-Rijnkanaal mag dan wel ontworpen zijn door Anton Mussert, het is 72 kilometer lang en ging in 1952 open.
We hebben in ons nijvere land nog veel meer nuttige kanalen (Nieuwe Waterweg, Noordzeekanaal) maar qua Zeeuw noem ik er nog twee: het kanaal door Zuid-Beveland en het Rijn-Scheldekanaal.
Ik schat de afstand Terneuzen-Antwerpen hemelsbreed op niet meer dan 50 kilometer, dat is dus een peulenschil. Het ´Balkenende-Letermekanaal´. Verzin iets om de Belgen intussen tevreden te houden, en doe bijvoorbeeld iets aan de lastige bocht bij Bath.
Uw dienstwillige,
De P.

Van de week heb ik de correctie afgerond van een kolossaal standaardwerk over kunst. Het was warm en winderig. Eigenlijk moest ik een korte broek en een bloesje met korte mouwen aantrekken, eigenlijk moest ik mijn flesje water aanvullen, eigenlijk moest ik binnenshuis uit de wind gaan zitten, want van wind krijg ik bij geagiteerdheid jeuk. Jeuk in mijn haren, jeuk op mijn huid, jeuk overal. Toch bleef ik zitten waar ik zat, dat laatste hoofdstuk moest en zou af.
Na het avondmaal bood ik, geloof ik, een vreemde aanblik en stuurde de P. me subiet naar bed. Hij zou zelfs de tafel afruimen, wat een chef-kok natuurlijk niet behoort te doen. Wat een weelderige weldaad, dat knisperende donzen dekbed, nog geurend naar de zon, waar het die dag uitbundig onder had gewapperd.
De volgende ochtend om halfzeven op, dat heb je dan, en omdat het regende en schemerde heb ik de Volkskrant in het atelier fijn van voren naar achteren doorgelezen (misschien wel voor het eerst in maanden, moet ik opbiechten). Later die dag belde mijn jongere zus I. met een jubelend verhaal over een mij onbekende, maar schijnbaar magistrale film die ze de avond tevoren had gezien. Toen ze hoorde dat ik tijdens de uitzending had liggen ronken in de sponde, riep ze: ‘Maar dan kijk je toch op uitzendinggemist.nl?’
Mijn kop begon acuut weer te jeuken.

Voilà, dat is de zitting van de stoel waarop ik morgenochtend vroeg
– wanneer u dit leest is het voor u al vandaag – het cryptogram van de Volkskrant moet gaan oplossen. Het was spookweer boven Dreischor, de regenmeter meldde 40 mm in twee uur, dat is veertig liter per vierkante meter, in onze tuin dus acht kuub water. Waar het is gebleven, Joost mag het weten.
Wat dat cryptogram betreft, sinds enige tijd heb ik weer een warm contact met tante Marie (86) uit Krommenie, de zus van wijlen mijn dode en reeds lag geleden overleden moeder. Ze heeft de puzzel vaak al af voordat we bellen, maar soms kan ze dingen ook onmogelijk weten, zoals alle aan ict gerelateerde onderwerpen. ‘Raar hoor,’ zegt ze dan, ‘de Volkskrant heb toch ook veel oudere lezers?’ Dat heb heeft ze sinds ze uit Zeeland is vertrokken en in Krommenie is gaan wonen. Ze zegt sindsdien ook skande en skool in plaats van schande en school…
Toen ik klein was, heette ze ‘tante Bia' en nam ik haar vaak mee uit wandelen

Laatst las ik een interview met een betonijzervlechter. De man was erg trots op zijn vak. Hij kon het maar moeilijk verkroppen dat zijn werk altijd weer werd overgoten met beton, waardoor de vruchten van zijn vakmanschap voorgoed onzichtbaar werden. Ik voelde met de man mee, want sommige betonijzervlechtwerken zouden niet misstaan tussen het roestende staal van wereldberoemde beeldhouwers in ons Nationaal Park de Hoge Veluwe.
Beroepstrots of niet, het is een WAO-gevoelig vak, gaf de man toe, vooral vroeger, toen het betonijzervlechten nog vooral handwerk was. ‘En dan kun je je kleinkinderen later niet eens laten zien wat je allemaal hebt gemaakt, want het zit tot aan Sint Juttemis onder dat beton,' mopperde hij.
Onzichtbaar zweet.
Ik had ook te doen met een invalide man, die kortgeleden voor de ingang van het FNV-hoofdkantoor met een tiental SP-aanhangers kwam demonstreren voor, zoals het spandoek vagelijk meldde: ‘Een sociale WAO’. Hij zat daar wat ineengedoken in zijn rolstoel, SP-petje diep over het voorhoofd getrokken, om, naar ik aannam, zijn ziekelijk vermoeide ogen te beschermen tegen het felle maartse licht. Voor alle zekerheid had hij er ook nog een zonnebril bij opgezet.
Onzichtbaar leed.
Toen de cameraploegen van NOS, Tros, SBS 4, 5 en 6 en wat niet meer waren vertrokken, sprong de ‘invalide’ SP-man kwiek overeind, borg zijn eigenhandig opgevouwen rolstoel op in de kofferbak van zijn auto, hielp partijgenoten met het oprollen van de spandoeken, het wegsjouwen van de dozen met pamfletten en reed vervolgens vrolijk zwaaiend de wijde wereld in, mijn aanvankelijke medeleven smorend in zijn uitlaatgassen. Gelukkig waren er aan de overkant van de straat betonijzervlechters bezig aan een spoorviaduct en scheen de zon uitbundig. Tot mijn vreugde waren er nog geen betonwagens in zicht…
(Dit is 'oud werk', een column uit de serie die ik van 2002 tot 2004 maandelijks heb geschreven voor het ledenblad Casco van FNV Bouw&Infra)

Toen wij eind mei op vakantie gingen naar de Weerribben bij Kalenberg, heb ik een hengeltje meegenomen, qua vergunning een ‘kleine viskaart’ aangeschaft, in Steenwijk een doosje maden gekocht (witte, rode mag niet meer van GroenLinks en van Mirjam de Rijk en hoe al die stadse, met belastinggeld gesubsidieerde mantra-repeteerders ook heten) en mij in ons gehuurde privémeertje annex roeiboot aan het hengelen gezet. (Zoals vrouwen zich sinds Eva over alles schuldig voelen, zo hebben mannen sinds Nimrod een jachtinstinct, waar of niet? Dan boffen we toch maar weer.) Wat is de ruisvoorn (Scardinius erythrophthalmus) overigens een wonderschone vis, ook om te vangen!
Je wordt als hengelaar – een sportvisser wil ik mij nauwelijks noemen – door de milieumaffia toch een beetje te kijk gezet als dierenbeul. Maar ik weet niet anders dan dat je als eenvoudige Zeeuwse jongen ging hengelen. Bij laagwater pieren steken, bij opkomend water vissen, en bij hoogwater zwemmen. En dat in de zomervakantie vier weken lang, want die was toen nog geen zes. Samen met Wim (‘Pummel’) Bout stroopte ik (‘Poemel’) met lange, van aas voorziene katoenen vislijnen, die we bij laag tij over twee meter van elkaar staande stokken spanden, 25 cm boven de bodem, een deel van de Grevelingen af, en bij het volgende laag tij haalden we de oogst binnen. (De Grevelingen was toen nog open water.) Ik hoor wijlen mijn dode en reeds lang geleden overleden moeder nog steeds zuchten: ‘Nee, niet weer vis!’
Maar die ‘kleine viskaart’ had vandaag tot gevolg dat ik een gratis nummer van Hét Visblad op de mat vond, omdat dezer dagen in Almere het WK-vissen plaatsvindt. Wat een blad!
Maar wat ik niet begrijp is dat de deelnemers uit ik weet niet hoeveel landen, eerst een week gaan ‘trainen’ aan de Lange Vaart aldaar. Wat is dat, trainen om een visje te vangen? Ik heb nog nooit van mijn leven getraind voordat ik ging vissen, en kijk eens wat ik op mijn ouwe dag nog boven water weet te halen. Zal ik me nog maar gauw aanmelden in Almere? Enfin, kijkt u zelf maar…

Dir.Beestjes hoeft het niet op te zoeken, hij weet hoe dit plantje heet. Want hij is ook dir.Plantjes, al wist u dat nog niet. Dir.beestjes is Dir.van alles wat leeft en groeit (´en ons altijd weer boeit´).
Ik kon het plantje ook niet zo gauw thuisbrengen – ook al staat het in mijn eigen tuin – en moest het determineren met behulp van de Flora van Heijmans, Heinsius en Thijsse (Amsterdam/Djakarta, 20e druk, 1960), die ik al 47 jaar met mij meezeul. Maar die hebt u niet in huis, en die moderne van Weeda (1e druk 1985) met veel kleurenplaatjes vond u te duur, en die van Heukels (14e druk, 1956) hebt u zo goed als zeker in de verste verte niet.
Wie Fop I. Brouwer was, weet u waarschijnlijk ook niet uit het blote hoofd. Daarom trekt u overal als een bezetene ´onkruid´ uit, gewoon omdat u niet weet hoe het heet. Oxalis trunctata (zeer zeldzaam) tussen de terrastegels? Hup, de spuit erop. Cynoglossum – wat een schoonheid van een plant – onder de liguster, dan de heggenschaar erin. U bent allemaal plantkundig xenofoob, een soort Wilders van de botanie.
Ik zal u een eindje op weg helpen met dat plantje op de foto. Mijn moeder en andere moeders kookten van de zaadjes ervan vroeger met karnemelk pap, en dat kreeg je als een soort eetbare cement op je bord als nagerecht, met stroop. Wat er overbleef liet ze opstijven, en dan sneed ze er de volgende dag plakken van die ze met Blue Band (´bleuband´) opbakte in een koekenpan. Je kreeg er dan alweer stroop overheen. Misschien dat u nu weet hoe dat plantje heet, en misschien ook de naam van dat gruwelijke gerecht.

Nee, dit is geen vingerwijzing dat mevrouw de P. een vies, stinkend doekje naar de vuilnisbak moet brengen. Het is een geniale vondst van de P. Het gele doekje zuigt van de tafel het water op van de bui die afgelopen donderdag ook in Zeeland eindelijk is gevallen. ‘Kijk, deze sectie is al droog!’ sprak hij deskundig, verrukt over de druppeltjes die het vaatdoekje losliet en die op de grond te pletter vielen.
Ja, kijkt u maar eens goed. In Zeeland nooit meer wateroverlast.

Veertien kinderen. De diepgelovige vader is binnenschipper, komt eens in de twee weken thuis en propt dan zijn kwakje in een afgetobde vrouw, die hem van de Bijbel niet mag weigeren haar te beslapen en die in een – waarschijnlijk onverzekerd – huis woont, waar je volgens de veiligheidsmaatstaven van de brandweer nog geen drie asielzoekers onderdak mag bieden, zeker niet na de ‘Schipholbrand’. (Veertien kinderen, de twee oudsten zijn de deur al uit. De jongste is/was 1.) De diepgelovige moeder staat op straat te krijsen wanneer vier van haar bloedjes op de houten zolder levend worden geroosterd: ‘Here Jezus, red mijn kinderen!’
Vader is door de politie in Duitsland van de rivier gehaald en thuis gebracht. Als troost kind vijftien in de maak? Wilders, in Godsnaam, doe iets!


